zaterdag 30 juli 2011

(Afl. 41) EEN WARM WELKOM

Onder de gespieste jongeren bevond zich ook Kraak, Barbarella’s eerste geliefde en voormalig kraker van geitenkooien. Bebloed kroop hij Oudegrap binnen en ging ter hoogte van de Oude Herberg tegen de vlakte. “Welkom in het dorp van dwazen, voor dwazen, door dwazen,” heette De Diplomaat hem welkom. Kraak kreunde. Barbarella spitste de oren; zij kende dit kreunen. Dit gekreun klonk in het verleden zo vaak in haar oren; een vrolijk gekreun, gekreun als dat van een oude jazzmuzikant tijdens zijn optreden. Het gekreun ging over in het geloei van een stier. Ook dat geluid kende ze. Zou het hem wezen? Zou het hem zijn?Geniet hij? Lijdt hij pijn? Snel liep ze naar buiten en zag hem voor het terras liggen. “Doe iets,” riep ze bijna hysterisch, “doe iets, Diplomaat, in plaats van zo dom grijnzend voor je uit te staren. Wankel stond De Diplomaat op van zijn stoel, niet goed wetende wat te doen. Voorzichtig boog hij over Kraak heen en dreigde zelf ter aarde te vallen. “Oeps, daar ga ik bijna,” lalde hij. Ruw stootte Barbarella hem opzij waardoor hij alsnog op de grond viel. “Kraak, oh Kraak toch”.  Pathetisch opende Kraak zijn ogen: “Barbarella, oh Barbarella toch”.

 

Oudegrap,  Ledelich

 

 

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten