zaterdag 30 juli 2011

(Afl. 41) EEN WARM WELKOM

Onder de gespieste jongeren bevond zich ook Kraak, Barbarella’s eerste geliefde en voormalig kraker van geitenkooien. Bebloed kroop hij Oudegrap binnen en ging ter hoogte van de Oude Herberg tegen de vlakte. “Welkom in het dorp van dwazen, voor dwazen, door dwazen,” heette De Diplomaat hem welkom. Kraak kreunde. Barbarella spitste de oren; zij kende dit kreunen. Dit gekreun klonk in het verleden zo vaak in haar oren; een vrolijk gekreun, gekreun als dat van een oude jazzmuzikant tijdens zijn optreden. Het gekreun ging over in het geloei van een stier. Ook dat geluid kende ze. Zou het hem wezen? Zou het hem zijn?Geniet hij? Lijdt hij pijn? Snel liep ze naar buiten en zag hem voor het terras liggen. “Doe iets,” riep ze bijna hysterisch, “doe iets, Diplomaat, in plaats van zo dom grijnzend voor je uit te staren. Wankel stond De Diplomaat op van zijn stoel, niet goed wetende wat te doen. Voorzichtig boog hij over Kraak heen en dreigde zelf ter aarde te vallen. “Oeps, daar ga ik bijna,” lalde hij. Ruw stootte Barbarella hem opzij waardoor hij alsnog op de grond viel. “Kraak, oh Kraak toch”.  Pathetisch opende Kraak zijn ogen: “Barbarella, oh Barbarella toch”.

 

Oudegrap,  Ledelich

 

 

 

maandag 25 juli 2011

(Afl. 39) ECHTE GEITENLIEFDE

Terwijl de jonge priester nog worstelde met zijn onvrijwillige seksuele bevrijding genoot Drifters van het welverdiende zomerreces. Zijn politieke partij, de (P)artij voor de (O)ntvreemdeling van (O)udegrap, waar hij voorzitter en enig lid van was, lag lui op het achterwerk en Drifters bracht zijn dagen door in de geitenkooi. Tegen het avondeten, na gedane arbeid, liep hij dan met glazige blik en wankel ter been, enkele rondjes om het dorpsplein waarna hij steevast de Oude Herberg binnenging voor een afzakkertje. Vandaag zaten de gasten op het zonovergoten terras. Drifters voegde zich bij het gezelschap en bestelde een ‘hollands rondje’. “Drifters voor zich, nietwaar. Doe de rest maar wat van mij.” Ira bediende. “Je ruikt de laatste tijd een beetje geiterig,” begon De Diplomaat pesterig, “vind je ook niet, Krelis?” “Ja? Nou? En? Mag ik dan niet een beetje naar geitenstront ruiken?” “Bij jou gaat het toch net iets verder.” “Ja, ik hou van die beesten, mag dat,” bitste Drifters. “Laat die man toch.” Wika nam het voor Drifters op. Ze hield nog steeds van hem, al wees hij haar nog zo vaak af. “Het is me nog steeds niet duidelijk,” stangde De Diplomaat verder, “lijk jij nou steeds meer op die geiten, of beginnen die geiten op jouw te lijken?” Stultus, de eeuwige asielzoeker en tweede bediende, kwam terug met de bestelling. Behendig zette hij de glazen voor. Alleen maakte Drifters een onverhoedse beweging waardoor het glaasje geitenmelk over zijn schoot vloeide. “Vuile, suffige sul” foeterde Drifters. Er viel een pijnlijke stilte.

 

Oudegrap,  Ledelich

vrijdag 22 juli 2011

(Afl. 38) DE VAL VAN DE JONGE PRIESTER

Uiteindelijk werd het straffe tempo waarmee De Diplomaat zijn kopstootjes naar binnen sloeg de jonge priester fataal. Het innemen ging hem veel te rap. Beneveld sloeg hij zijn ogen hemelwaarts waardoor De Diplomaat nog slechts het wit daarvan zag. “Je valt toch niet bewusteloos?”, hoorde hij De Diplomaat nog net vanuit de verte roepen. “Je valt toch niet bewusteloos?”, galmde het nogmaals. En met een doffe dreun ging de jonge priester ter aarde. Wika, Ira en Barbarella sprongen geschrokken van hun stoel. Was dit hun culpant, hun maxima culpant? Barbarella boog zich over de jonge priester die zijn ogen opende en in het decolleté van Barbarella blikte waardoor hij wederom subiet in katzwijm viel. Beslist pakte Ira hem onder de oksels en tilde Wika het voetengedeelte op. Barbarella ging hen voor op weg naar de priesterwoning waar ze hem bijbrachten met sterke koffie en ouwe klare. Voor de tweede keer na zijn zondeval sloeg de jonge priester zijn ogen open en dreigde weer aan een flauwte te bezwijken. Wika gooide een emmer koud water over hem heen. Zij wilde zich dit duivels verzetje niet laten onthouden. Dagenlang voerden ze hem dronken en brachten hem standjes bij die zelfs in de kamasutra niet terug te vinden waren. Nee, deze jonge priester kon zijn celibatair bestaan verder wel vergeten.

 

Oudegrap,  Ledelich

woensdag 20 juli 2011

(Afl. 37) EEN DUIVELSE TROEL

Bij de aanblik van Barbarella kreeg de priester het steeds heviger te kwaad. Om indruk op haar te maken dronk hij, net als De Diplomaat, kopstootjes in de Oude Herberg. Maar het leek alsof de duvel er mee speelde want telkens als Barbarella voorbijkwam stootte hij nerveus het kelkje jenever omver. “Drankmisbruik, jonge priester,” mopperde De Diplomaat dan. Thuisgekomen geselde de jonge priester zich, wat weinig hielp omdat ook dit hem begon op te winden. Oh, al die beproevingen van Heere Heere. Barbarella plaagde hem graag door grote ogen op te zetten en bevallig de handen door het haar te strijken als zij hem bediende. Soms boog ze zo diep voorover waardoor hij bijkans in haar decolleté verdronk. Ze zat met Gnomé, Wika en Ira (de voormalige Poolse paaldanseres en prostituee) aan de stamtafel. “Je moet hem niet zo plagen,” sprak Gnomé moederlijk, “het mag dan wel een paap zijn, maar het is wel onze paap. “ “Ik denk er anders over om bij hem ter biecht te gaan,” grinnikte Barbarella. Wika en Ira schaterden het uit. “Dan ga ik ook, dan ga ik ook,” gierden ze. Aan de bar probeerde de jonge priester naast de kopstootjes ook het tempo van De Diplomaat bij te houden. Hij wilde persé zijn verlegenheid overwinnen om Barbarella fier te benaderen; niet als een vrouw, nee, maar als een parochiaan, nee, als een bekeerlinge.

 

Oudegrap,  Ledelich

vrijdag 15 juli 2011

(Afl. 36) PEK EN VUUR

De jonge priester wist niet hoe hard hij bij Barbarella vandaan moest rennen. Of ze slecht was? En of ze slecht was! Het was een Babylonische hoer, vond de priester. Tegelijkertijd moest hij seksuele oprispingen onderdrukken omdat hij zich al vanaf zijn kleutertijd sterk aangetrokken voelde tot zwangere vrouwen. Nog dagen natrillend bereidde hij de preek van de komende zondag voor. Al zijn gram legde hij er in. “Pek en vuur,” schreeuwde hij vanaf de kansel, “padden op uw pad”. Hijgend wees hij naar de  enige kerkgangers, een bejaard stel. “Goddelozen!” Verkrampt wist hij amper enkele godsgruwelijke vervloekingen binnen te houden. “Zijn toorn zal over u nederdalen!” Nog voor de beëindiging  van de preek sloop het stel de kerk uit. “Flikker uit het gestoelte der spotters”, tandenknarste hij. Hij voelde zich nog steeds in de zeik genomen door Barbarella. Ook dit wond hem weer op omdat plass… . Zo kon het wel weer. Wankel liep hij de trap van de kansel af en opende lijkbleek de kerkdeur. Even moesten zijn ogen wennen aan het scherpe zonlicht. Tot zijn afgrijzen zag hij Barbarella op het terras van de Oude Herberg die tegenover de kerk stond. Haar schoonheid verblindde hem nog meer dan de zon, die duivelse zon.

 

Oudegrap, Ledelich

 

woensdag 13 juli 2011

(Afl. 35) DE NIEUWE KAPALAAN

Gnomé had het niet zo op imams, rabbijnen of wat voor zielenherders dan ook. Wel zat ze mooi opgescheept met die overijverige roomse paap die met stenciltjes het dorp in de rondte ging om zijn eerste mis van aanstaande zondag aan te kondigen. Ook liep hij de Oude Herberg binnen waar De Diplomaat met dubbele kopstootjes zijn kopknetter weg werkte. Zalvend boog hij naar de gasten en sloeg kruisjes ter hoogte van zijn borst. Barbarella wurmde zich met haar dikke buik achter de toog vandaan. Net als Gnomé had ook zij het niet zo op de verkondigers van ’s Heerens woord. “Vader”, sprak ze tegen de jonge priester en wees naar haar bollende buik, “wie kan toch de vader zijn?” “Zeg maar niets, mijn zoon,” zo richtte De Diplomaat zich tot het herdertje, “de vader dat ben ik.” Om de beurt eisten Krelis, Achmed en Drifters het vaderschap op. “Het had het hele dorp kunnen zijn, vader, behalve boer Braat dan en we weten nu waarom.” Boer Braat stampte met zijn roze klompen op de vloer. “Ik heb het met iedereen gedaan, vader.” De priester, een jongen nog, keek ongemakkelijk van de een naar de ander. Nam ze hem nou in de maling? “Ben ik nou slecht, priester”, ging ze theatraal verder, “ontferm u over mij.” De priester die hier terecht een oneerbaar voorstel in zag, week geschrokken achteruit

 

Oudegrap, Ledelich

 

 

woensdag 6 juli 2011

(Afl. 34) NIEUWE GEESTELIJKEN

Ademloos keek iedereen naar boer Braat die als bevroren aan de grond genageld stond. Als in slowmotion kwam hij uit zijn verstarring, en de omstanders met hem. “Ja, ik beken, en,” boer Braat keek smachtend naar Achmed, die ineen leek te krimpen, “ik heb altijd een zwak voor je gehad.” Niemand wist wat te zeggen. Zelfs De Diplomaat zweeg. Na zijn bekentenis ging boer Braat voor altijd in een roze kiel gekleed en droeg hij roze klompen. Wel bleef hij even lomp en schraapzuchtig als altijd. Dit alles ging aan Gnomé voorbij. Zij had zich voor enkele weken teruggetrokken in het klooster waar ze opgroeide. Met weemoed dacht ze terug aan moeder Overste, zuster Pecunia en zuster Vredelief, de drie zusters die haar liefdevol grootbrachten. Nu, tijdens haar retraite, omringde Stultus, de Portugese vluchteling, en Ira de Poolse, voormalig paaldanseres en prostituee, haar met liefdevolle zorgen. Dagelijks deed ze oefeningen om het hoofd leeg te maken. Dit was nog een hele klus omdat er behoorlijk wat in het kolossale hoofd te verstouwen viel. Ze hoorde de nieuwe pastoor rommelen in de sacristie en vroeg zich af hoe deze zich tot de Nieuwe Oudegrappers zou verhouden. Vroeg een nieuwe pastoor niet ook om een Imam? Moest er geen dominee bij? Of een humanistisch leidsman? Ze maakte zich zorgen om de verharding tussen de Nieuw Oudegrappers en de Oude Oudegrappers. Tegelijkertijd schiep ze er ook wel weer een bijna satanisch genoegen in.

 

Oudegrap, Ledelich

 

 

zondag 3 juli 2011

(Afl. 33) KOM UIT DE BEDSTEE

Indertijd toen Ira haar gal uitkotste, kotste boer Braat drie toiletten verderop de darmen uit zijn maag. Hij had het niet op Ira. In de Oude Herberg ging Barbarella onverdroten voort met haar litanie. Ze keek woedend naar boer Braat die nog steeds zijn knoestige vuisten naar Achmed balde. “Weet je dat haat heel dicht naast liefde ligt. In een cirkel zijn het de punten die elkaar het dichtst naderen. En weet je, boer Braat, dat er opmerkelijk veel homoseksuelen onder de Oudegrapse boeren zijn?” Boer Braat bloosde hevig. “Misschien wordt het tijd om eens uit de bedstee te komen, boer Braat.” Boer Braat kleurde nog dieper. In het vuur van de strijd wierp ze hem nog een laatste gillende keukenmeid toe die spetterend van muur tot muur weerkaatste: “Alleen al het feit dat je onmogelijk de vader van mijn aanstaande kind kunt zijn maakt wel duidelijk dat je niets op hebt met de vrouwelijke kunne. Geen man die mij ooit versaagde!” Trots keek ze hem aan. “Gadverdamme! Boer Braat? Zou je denken?” Achmed keek hem verbouwereerd aan. Op dit moment besloot boer Braat voor zijn geaardheid uit te komen. Bedeesd keek hij naar de vloer en draaide lichtjes met de heupen. Nu zijn moeder het loodje had gelegd hoefde hij zich voor niemand meer te schamen. Er viel een doodse stilte in de Oude herberg.

 

Oudegrap, Ledelich