Indertijd toen Ira haar gal uitkotste, kotste boer Braat drie toiletten verderop de darmen uit zijn maag. Hij had het niet op Ira. In de Oude Herberg ging Barbarella onverdroten voort met haar litanie. Ze keek woedend naar boer Braat die nog steeds zijn knoestige vuisten naar Achmed balde. “Weet je dat haat heel dicht naast liefde ligt. In een cirkel zijn het de punten die elkaar het dichtst naderen. En weet je, boer Braat, dat er opmerkelijk veel homoseksuelen onder de Oudegrapse boeren zijn?” Boer Braat bloosde hevig. “Misschien wordt het tijd om eens uit de bedstee te komen, boer Braat.” Boer Braat kleurde nog dieper. In het vuur van de strijd wierp ze hem nog een laatste gillende keukenmeid toe die spetterend van muur tot muur weerkaatste: “Alleen al het feit dat je onmogelijk de vader van mijn aanstaande kind kunt zijn maakt wel duidelijk dat je niets op hebt met de vrouwelijke kunne. Geen man die mij ooit versaagde!” Trots keek ze hem aan. “Gadverdamme! Boer Braat? Zou je denken?” Achmed keek hem verbouwereerd aan. Op dit moment besloot boer Braat voor zijn geaardheid uit te komen. Bedeesd keek hij naar de vloer en draaide lichtjes met de heupen. Nu zijn moeder het loodje had gelegd hoefde hij zich voor niemand meer te schamen. Er viel een doodse stilte in de Oude herberg.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten