Ademloos keek iedereen naar boer Braat die als bevroren aan de grond genageld stond. Als in slowmotion kwam hij uit zijn verstarring, en de omstanders met hem. “Ja, ik beken, en,” boer Braat keek smachtend naar Achmed, die ineen leek te krimpen, “ik heb altijd een zwak voor je gehad.” Niemand wist wat te zeggen. Zelfs De Diplomaat zweeg. Na zijn bekentenis ging boer Braat voor altijd in een roze kiel gekleed en droeg hij roze klompen. Wel bleef hij even lomp en schraapzuchtig als altijd. Dit alles ging aan Gnomé voorbij. Zij had zich voor enkele weken teruggetrokken in het klooster waar ze opgroeide. Met weemoed dacht ze terug aan moeder Overste, zuster Pecunia en zuster Vredelief, de drie zusters die haar liefdevol grootbrachten. Nu, tijdens haar retraite, omringde Stultus, de Portugese vluchteling, en Ira de Poolse, voormalig paaldanseres en prostituee, haar met liefdevolle zorgen. Dagelijks deed ze oefeningen om het hoofd leeg te maken. Dit was nog een hele klus omdat er behoorlijk wat in het kolossale hoofd te verstouwen viel. Ze hoorde de nieuwe pastoor rommelen in de sacristie en vroeg zich af hoe deze zich tot de Nieuwe Oudegrappers zou verhouden. Vroeg een nieuwe pastoor niet ook om een Imam? Moest er geen dominee bij? Of een humanistisch leidsman? Ze maakte zich zorgen om de verharding tussen de Nieuw Oudegrappers en de Oude Oudegrappers. Tegelijkertijd schiep ze er ook wel weer een bijna satanisch genoegen in.
Oudegrap, Ledelich
Geen opmerkingen:
Een reactie posten