Terwijl de jonge priester nog worstelde met zijn onvrijwillige seksuele bevrijding genoot Drifters van het welverdiende zomerreces. Zijn politieke partij, de (P)artij voor de (O)ntvreemdeling van (O)udegrap, waar hij voorzitter en enig lid van was, lag lui op het achterwerk en Drifters bracht zijn dagen door in de geitenkooi. Tegen het avondeten, na gedane arbeid, liep hij dan met glazige blik en wankel ter been, enkele rondjes om het dorpsplein waarna hij steevast de Oude Herberg binnenging voor een afzakkertje. Vandaag zaten de gasten op het zonovergoten terras. Drifters voegde zich bij het gezelschap en bestelde een ‘hollands rondje’. “Drifters voor zich, nietwaar. Doe de rest maar wat van mij.” Ira bediende. “Je ruikt de laatste tijd een beetje geiterig,” begon De Diplomaat pesterig, “vind je ook niet, Krelis?” “Ja? Nou? En? Mag ik dan niet een beetje naar geitenstront ruiken?” “Bij jou gaat het toch net iets verder.” “Ja, ik hou van die beesten, mag dat,” bitste Drifters. “Laat die man toch.” Wika nam het voor Drifters op. Ze hield nog steeds van hem, al wees hij haar nog zo vaak af. “Het is me nog steeds niet duidelijk,” stangde De Diplomaat verder, “lijk jij nou steeds meer op die geiten, of beginnen die geiten op jouw te lijken?” Stultus, de eeuwige asielzoeker en tweede bediende, kwam terug met de bestelling. Behendig zette hij de glazen voor. Alleen maakte Drifters een onverhoedse beweging waardoor het glaasje geitenmelk over zijn schoot vloeide. “Vuile, suffige sul” foeterde Drifters. Er viel een pijnlijke stilte.
Oudegrap, Ledelich
Geen opmerkingen:
Een reactie posten