woensdag 13 juli 2011

(Afl. 35) DE NIEUWE KAPALAAN

Gnomé had het niet zo op imams, rabbijnen of wat voor zielenherders dan ook. Wel zat ze mooi opgescheept met die overijverige roomse paap die met stenciltjes het dorp in de rondte ging om zijn eerste mis van aanstaande zondag aan te kondigen. Ook liep hij de Oude Herberg binnen waar De Diplomaat met dubbele kopstootjes zijn kopknetter weg werkte. Zalvend boog hij naar de gasten en sloeg kruisjes ter hoogte van zijn borst. Barbarella wurmde zich met haar dikke buik achter de toog vandaan. Net als Gnomé had ook zij het niet zo op de verkondigers van ’s Heerens woord. “Vader”, sprak ze tegen de jonge priester en wees naar haar bollende buik, “wie kan toch de vader zijn?” “Zeg maar niets, mijn zoon,” zo richtte De Diplomaat zich tot het herdertje, “de vader dat ben ik.” Om de beurt eisten Krelis, Achmed en Drifters het vaderschap op. “Het had het hele dorp kunnen zijn, vader, behalve boer Braat dan en we weten nu waarom.” Boer Braat stampte met zijn roze klompen op de vloer. “Ik heb het met iedereen gedaan, vader.” De priester, een jongen nog, keek ongemakkelijk van de een naar de ander. Nam ze hem nou in de maling? “Ben ik nou slecht, priester”, ging ze theatraal verder, “ontferm u over mij.” De priester die hier terecht een oneerbaar voorstel in zag, week geschrokken achteruit

 

Oudegrap, Ledelich

 

 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten