De daaropvolgende dagen kon je boer Braat alsmaar in zichzelf mompelend met een stuk henneptouw in zijn hand door de straatjes van Oudegrap zien dwalen. Gnomé, die zich oprecht zorgen over boer Braat maakte vroeg De Diplomaat een oogje in het zeil te houden. Zonder dat boer Braat dit in de gaten had hobbelde De Diplomaat achter hem aan. Toen de avond viel bleef boer Braat lang dralen bij een lantarenpaal waarvan de lamp ook nog eens kapot was. Het in zichzelf mompelen ging over in hardop gepraat. Ergens verderop klonk het: “wat scheelt er blekert! arme vent, dat jij zo saai aan het zingen bent?” De Diplomaat lachte sardonisch. “Ga weg, laat me met rust,” snauwde boer Braat, blij omdat er iemand was die hem zou helpen geen daden te begaan die hij toch niet zou voltrekken. “Niemand houdt mij nog tegen.” “Nee, ik zeker niet, ik wil je juist helpen. Misschien heb je een krukje nodig? Een schouderduwtje? Of zal ik je anders helpen dat touw vast te binden?” Dit gesprek ging niet helemaal de kant uit waar boer Braat het wilde hebben. “Ik ben een arme man,” huilde boer Braat. “Ja, ja, en je verdient je dagelijks brood in schande.” snibde De Diplomaat, “je hebt je geld altijd over de ruggen van anderen verdiend.” “Ja,” snikte boer Braar, “ik heb mijn geld altijd over de ruggen van anderen verdiend, en nu niet meer.”
Oudegrap, Ledelich
Geen opmerkingen:
Een reactie posten