Ondanks het feestje na dwaze dinsdag maakte De Diplomaat zich toch enige zorgen. Stel dat Krelis wel van hem eiste om zijn rekening te voldoen.” “Henk en Ingrid, dat ben ik,” begon hij, “en wie zorgt voor ons, mij? Wie houdt ons, mij, omhoog in moeilijke tijden?” Dat deden ze allemaal wel een keer omdat De Diplomaat vaak genoeg zo starnakel bezopen was, dat hij onmogelijk nog zijn kamer wist te bereiken. “Weet je waar ik recht op heb?” vervolgde hij, “op een PGB; een Persoonsgebonden Bonnetje.” De deur sloeg open en Drifters stapte binnen. “Hé, jij, befhondje van Barbarella.” “Heb je het tegen mij?” vroeg Kraak verbaasd. “Ja, jij befhondje, befhondje.” “Uh,” even wist Kraak niet wat te zeggen, “dat ben je zellef, met je kont door de hellef.” “Befhondje, befhondje, sliep uit, sliep uit.” “Hou je kop toch, geitofiel.” Dít liet Drifters zich niet zeggen. Het ontaardde gelijk in een kooigevecht voor peuters. Kraak gooide Drifters op zijn rug. “Spierballen rollen?” riep hij dreigend. “Genade, genade,” piepte Drifters bang. , Hij kreeg het al benauwd bij de dreiging van een bloedprikje. Kraak liet hem los en alsof er niets was voorgevallen stond Drifters op en richtte zijn pijlen nu op De Diplomaat. “Denk je echt dat ik je blijf ondersteunen met je Achmed en je Fatima.” Drifters liep een beetje op de zaak vooruit, er was nog helemaal geen Fatima in het dorp. “Jij, jij, dronkenlor, een beetje ouzootjes zuipen van onze centen.” “Een ouzootje, daar zeg je me wat Drifters.” Vrolijk bestelde De Diplomaat een glaasje ouzo. “Doe Henk en Ingrid ook maar wat, Krelis.”
Maak ook kennis met werk van vriend/schrijver Leo D. Lichteberg http://www.lichteberg.nl
Oudegrap, Led Ledelich
Geen opmerkingen:
Een reactie posten