Opgewekt stapte Drifters de Oude Herberg binnen. Hij kwam zojuist van de geitenkooi. “Ha, daar hebben we het geitenmannetje,” zo verwelkomde De Diplomaat hem. Gelijk begon Drifters te pruilen. “Jij weet helemaal niks van geiten.” En Drifters stak de loftrompet: “ze zijn trots, kwiek, beweeglijk, eigenaardig, vrolijk, apart en toch inheems.” Hij spreidde zijn armen en zette het op een kwelen: “trots, kwiek, beweeglijk, eigenaardig, vrolijk, apart en toch inheems.” “Zijn ze ook niet een beetje koppig, stug, nukkig, halsstarrig en meer van die kwaliteiten waar ik jou in herken,” treiterde De Diplomaat. “Geitenneuker”, bromde Achmed. “Wat?!” Drifters’ zwaar geblondeerde kuif ging nog verder omhoog staan. Gelukkig klompte boer Braat binnen. Boer Braat wreef zich in de handen. “Ik heb de oplossing. We geven die Nieuwe Oudegrappers toestemming om die uienmoskee te bouwen,” hij grijnsde vergenoegd, “maar alleen krijgen ze geen geld van de erfenis van mijn moeder. Onder de noemer van zelfredzaamheid moeten ze die tent zelf maar van de grond af aan bouwen. Dan zeggen we dat ze daar ook veel gelukkiger van worden.” Boer Braat, die ook een bloedhekel aan de fanfare had, liet gelijk weten dat moeders toelage voor die teringherrie ook maar gestopt moest worden. “Dan gaan ze maar met een mansbakje voor de muziek uit. Noemen we ook zelfredzaamheid en daar beloven we dan ook een portie geluk bij.
Oudegrap, Ledelich
Geen opmerkingen:
Een reactie posten